Naar inhoud springen

schoenmaker

Van Wiktionary

Nederlandjs

[bewirk]

Zelfstenjig naamwaord

[bewirk]

Lemma

[bewirk]

schoenmaker m /'sxun.ma:.kər/

  1. sjoester, sjoemaeker
Zagswies
  • het beroep van schoenmaker uitoefenen: sjoestere

Verbuging

[bewirk]
inkelvaad mieëvaad
nom.: schoenmakerschoenmakers
dim.: schoenmakertjeschoenmakertjes