Naar inhoud springen

vliegen

Van Wiktionary

Nederlandjs

[bewirk]

Wirkwaord

[bewirk]

Lemma

[bewirk]

vliegen /'vli.ɣə(n)/

  1. vlege
Zagswies
  • onberekenbaar rondvliegen van insecten: toerre
  • ongecoördineerd vliegen: zwaddere
  • volwassen genoeg om te vliegen: vlök

Zelfstenjig naamwaord

[bewirk]

Neet-lemma

[bewirk]

vliegen mv /'vli.ɣə(n)/

  1. (neet-lemma) mieëvaadsvorm van vlieg