brengen

Van Wiktionary
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nieëderlandjsj

Wèrkwaordj

brengen

  1. Bringe.

Voging

Voging ven g'm wèrkwaorje brengen
noetied dentied nagtied kóstied
ik breng ik bracht ik zal brengen ik zou brengen
jij brengt jij bracht jij zal/zult brengen jij zou brengen
gij brengt gij bracht gij zult brengen gij zoudt brengen
hij brengt hij bracht hij zal brengen hij zou brengen
wij brengen wij brachten wij zullen brengen wij zouden brengen
jullie brengen jullie brachten jullie zullen brengen jullie zouden brengen
zij brengen zij brachten zij zullen brengen zij zouden brengen
aanvogendje noetied ómdrejjinger bijjingswies deilwäörj
ik brenge breng ik iv. breng noetied brengend, brengende
aanvogendjen dentied breng jij mv. brengt dentied gebracht
ik brachte brengde (gij) noehölp zijn denhölp hebben/zijn