ruiken

Van Wiktionary
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nieëderlandjsj

Wèrkwaordj

ruiken

  1. Ruke.

Voging

Voging ven g'm wèrkwaorje ruiken
noetied dentied nagtied kóstied
ik ruik ik rook ik zal ruiken ik zou ruiken
jij ruikt jij rook jij zal/zult ruiken jij zou ruiken
gij ruikt gij rookt gij zult ruiken gij zoudt ruiken
hij ruikt hij rook hij zal ruiken hij zou ruiken
wij ruiken wij roken wij zullen ruiken wij zouden ruiken
jullie ruiken jullie roken jullie zullen ruiken jullie zouden ruiken
zij ruiken zij roken zij zullen ruiken zij zouden ruiken
aanvogendje noetied ómdrejjinger bijjingswies deilwäörj
ik ruike ruik ik iv. ruik noetied ruikend, ruikende
aanvogendjen dentied ruik jij mv. ruikt dentied geroken
ik roke rookte (gij) noehölp zijn denhölp hebben