halen

Van Wiktionary
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nieëderlandjsj

Wèrkwaordj

halen

  1. Haole.

Voging

Voging ven g'm wèrkwaorje halen
noetied dentied nagtied kóstied
ik haal ik haalde ik zal halen ik zou halen
jij haalt jij haalde jij zal/zult halen jij zou halen
gij haalt gij haaldet gij zult halen gij zoudt halen
hij haalt hij haalde hij zal halen hij zou halen
wij halen wij haalden wij zullen halen wij zouden halen
jullie halen jullie haalden jullie zullen halen jullie zouden halen
zij halen zij haalden zij zullen halen zij zouden halen
aanvogendje noetied ómdrejjinger bijjingswies deilwäörj
ik hale haal ik iv. haal noetied halend, halende
aanvogendjen dentied haal jij mv. haalt dentied gehaald
ik haalde haalde (gij) noehölp zijn denhölp hebben