komen

Van Wiktionary
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nieëderlandjsj

Wèrkwaordj

komen

  1. Kómme.

Voging

Voging ven g'm wèrkwaorje komen
noetied dentied nagtied kóstied
ik kom ik kwam ik zal komen ik zou komen
jij komt jij kwam jij zal/zult komen jij zou komen
gij komt gij kwaamt gij zult komen gij zoudt komen
hij komt hij kwam hij zal komen hij zou komen
wij komen wij kwamen wij zullen komen wij zouden komen
jullie komen jullie kwamen jullie zullen komen jullie zouden komen
zij komen zij kwamen zij zullen komen zij zouden komen
aanvogendje noetied ómdrejjinger bijjingswies deilwäörj
ik kome kom ik iv. kom noetied komend, komende
aanvogendjen dentied kom jij mv. komt dentied gekomen
ik kwame komde (gij) noehölp zijn denhölp zijn