zijn

Van Wiktionary
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nieëderlandjsj

Wèrkwaordj

zijn

  1. Zeen, bestaon.
  2. er is/er ~: 'd Guuef.

Voging

Voging ven g'm wèrkwaorje zijn
noetied dentied nagtied kóstied
ik ben ik was ik zal zijn ik zou zijn
jij bent jij was jij zal/zult zijn jij zou zijn
gij bent gij waart gij zult zijn gij zoudt zijn
hij is hij was hij zal zijn hij zou zijn
wij zijn wij waren wij zullen zijn wij zouden zijn
jullie zijn jullie waren jullie zullen zijn jullie zouden zijn
zij zijn zij waren zij zullen zijn zij zouden zijn
aanvogendje noetied ómdrejjinger bijjingswies deilwäörj
ik zij ben ik iv. ben noetied zijnd, zijnde
aanvogendjen dentied ben jij mv. bent dentied geweest
ik ware bende (gij) noehölp zijn denhölp zijn