drinken

Van Wiktionary
Naar navigatie springen Jump to search

Nieëderlandjsj

Wèrkwaordj

drinken

  1. Drinke.
  2. Drèkke.

Voging

Voging ven g'm wèrkwaorje drinken
noetied dentied nagtied kóstied
ik drink ik dronk ik zal drinken ik zou drinken
jij drinkt jij dronk jij zal/zult drinken jij zou drinken
gij drinkt gij dronkt gij zult drinken gij zoudt drinken
hij drinkt hij dronk hij zal drinken hij zou drinken
wij drinken wij dronken wij zullen drinken wij zouden drinken
jullie drinken jullie dronken jullie zullen drinken jullie zouden drinken
zij drinken zij dronken zij zullen drinken zij zouden drinken
aanvogendje noetied ómdrejjinger bijjingswies deilwäörj
ik drinke drink ik iv. drink noetied drinkend, drinkende
aanvogendjen dentied drink jij mv. drinkt dentied gedronken
ik dronke drinkte (gij) noehölp zijn denhölp hebben