horen

Van Wiktionary
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nieëderlandjsj

Wèrkwaordj

horen

  1. Huuere, heure.

Voging

Voging ven g'm wèrkwaorje horen
noetied dentied nagtied kóstied
ik hoor ik hoorde ik zal horen ik zou horen
jij hoort jij hoorde jij zal/zult horen jij zou horen
gij hoort gij hoordet gij zult horen gij zoudt horen
hij hoort hij hoorde hij zal horen hij zou horen
wij horen wij hoorden wij zullen horen wij zouden horen
jullie horen jullie hoorden jullie zullen horen jullie zouden horen
zij horen zij hoorden zij zullen horen zij zouden horen
aanvogendje noetied ómdrejjinger bijjingswies deilwäörj
ik hore hoor ik iv. hoor noetied horend, horende
aanvogendjen dentied hoor jij mv. hoort dentied gehoord
ik hoorde hoorde (gij) noehölp zijn denhölp hebben